Beheer: landschap

De openheid van het landschap is de eerste voorwaarde waaraan voldaan moet worden voor het realiseren van een goed weidevogelgebied. Wanneer de openheid niet op orde is, biedt dit kansen aan predatoren als (roofvogels en zoogdieren): uitkijkpunten, schuilmogelijkheden en nestgelegenheid. Het heeft geen zin om ten gunste van weidevogels met bemesting, het waterpeil of graslandbeheer aan de slag te gaan als het landschap niet voldoende open is. 

Hieronder wordt concreet gemaakt wat je op landschap schaal kunt doen voor weidevogels.

  • Houdt het landschap open; voorkom vestiging van nieuwe bomen of bosschages zoveel mogelijk, maar respecteer historische beplanting als pestbosjes en houtwallen) in het landschap. In een open landschap is weinig verstoring en het biedt predatoren minder kansen voor vestiging. Opgaande beplanting (bomenrijen) en wegen / wandel- en fietspaden geven verstoring tot ca. 200 meter.
  • Het verwijderen of afzetten van ongewenste beplanting kan het beste van november t/m februari plaatsvinden. Ook het onderhoud van knotbomen is van belang.
  • Behoud graslandpercelen  met een oude zode. De structuurrijke vegetatie met kleine hoogteverschillen biedt broed-, schuil- en foerageermogelijkheden voor broedende vogels en hun kuikens. Grasland scheuren is ongunstig voor weidevogels. Dat heeft onder andere te maken met de te hoge groeisnelheid en te grote dichtheid van het gewas (engels raaigras). Door de hoge maaifrequentie zijn er minder grote insecten in aanwezig. Deze zijn van belang voor weidevogelkuikens.

Bron: boer-en-vogels